Nageeflijkheid,aanleuing en de loodlijn,

 Om een goede aanleuning te verkrijgen moet een paard eerst "nageeflijk" zijn, nageeflijkheid is het loslaten van in het nek en kaakgewricht ontstaan vanuit een ondertredend achterbeen. In het scala van de africhting staat impuls en achter nageeflijkheid, dit is in mijn ogen niet correct. Je begint met impuls en daarna met de nageeflijkheid, dat is de enige manier om je paard correct van achter naar voor te rijden.

Aanleuning:

"Aanleuning is de verende verbinding tussen de hand van de ruiter en de mond van het paard. Het is de telefoonlijn tussen paard en ruiter en geeft veel informatie."

Het belangrijkste bij een paard in aanleuning is dat hij altijd zijn "neusje eruit heeft" en daarmee de hand wil volgen.Het liefste wil het paard de hand naar beneden volgen natuurlijk, maar belangrijker is in eerste instantie dat het paard de hand wil volgen."Het neusje eruit" is een rare term.Wat ermee bedoeld wordt is dat het dier met de neus naar voren wijst inplaats van naar de borst. Terwijl hij wel de welving maakt in de hals en de bovenste halsspier vanuit de schoft aanspant.

Loodlijn

Dit paard heeft het neusje eruit, de lijn op de foto is de loodlijn. Met het "neusje eruit" wordt dus bedoelt dat het paard de neus altijd voor de loodlijn heeft. In de training mag een paard best iets ronder ingesteld worden, zolang de neus maar zo ver mogelijk naar voren blijft wijzen.
Terwijl de bovenste halsspier wel genoeg welft en opbolt vanuit de schoft, om te weten of het goed is kun je controleren of de middelste en onderste hals spieren ontspannen zijn.

Voorwaarts-neerwaarts:

"Voorwaarts-neerwaarts wil zeggen: een ontspannen lange bovenlijn (rug en hals) en aangespannen buikspieren, zodat de achterbenen onder het lichaam kunnen treden".

voorwaarts/neerwaartsOp dit plaatje zie je paard 1 voorwaarts-neerwaarts lopen..De rugspieren worden langer en de buikspieren korter. De wervels hebben genoeg ruimte en komen niet tegen elkaar aan. Paard 2 drukt de rug weg, waardoor de wervels minder ruimte hebben en er eerder sprake is van slijtage.Het achterbeen kan vanwege de weggedrukte rug ook niet naar voren toe weggezet worden.

 

De basis begint bij het voorwaarts-neerwaarts rijden, de ruiter rijdt het paard met het been naar de weerstand biedende hand toe.Een weerstand biedende hand is een hand die ontspannen en losjes aangeeft aan het paard tot waar het zijn hoofd mag plaatsen. Deze hand werkt niet terug en trekt nooit..Het enige wat de hand doet is de mond voelen.Als dat gebeurt en de ruiter gaat mee in de beweging van het hoofd met de hand,zonder dat de teugels te los of juist te strak zijn, dan spreken we van contact.

Om het paard te leren zakken maakt de ruiter gebruik van de holle kant van het paard.{zie rechtrichten}Op die manier nodigt de ruiter het paard uit om te zakken in de hals en volgt de ruiter met een ontspannen hand het hoofd van het paard als dit wat zakt. Vervolgens regelt de ruiter met zijn been in hoeverre het paard zakt. Gaat het paard te diep dan geeft de ruiter weer wat been.Drukt het paard zich op, dan laat de ruiter hem weer in een wat rustiger tempo zijn balans hervinden gevolgd door wat ondersteuning van het been.Het allerbelangrijkste hierbij is balans. Als het paard te diep loopt,loopt het teveel op de voorhand. Als het zich teveel opdrukt dan drukt het de rug weg. De kunst is om hier precies tussenin te zitten, zodat het gewicht zoveel mogelijk verdeeld is over 4 benen. Op het moment dat dat lukt,spreken we van horizontaal evenwicht.

.

Reageert het paard goed, dan direct belonen en steeds weer met het been naar de hand toe blijven rijden. Bij alles wat de ruiter doet moet hij zorgen dat hij met het been naar de hand toe blijft rijden. Bij een heter paard is dit makkelijker dan bij een flegmatiek paard. Maar bij een heet paard moet de ruiter niet "te vast" blijven houden en vooral met de hand meegaan en het paard ontspannen duidelijk maken in welk tempo er geacht wordt te lopen. Bij een loperig/heet paard dat graag duwt in plaats van draagt helpt het om een lager tempo aan te nemen, en bij een flegmatieker paard helpt het om hem in eerste instantie wat over het tempo te laten lopen, totdat hij constant in het gewenste tempo blijft lopen. Als het paard in het gewenste tempo loopt en kan versnellen en vertragen met een constante aanleuning, dan noemen we dat "verbinding".

Verbinding is echter alleen correct wanneer het verkregen is vanuit het achterbeen van het paard over de rug naar de mond van het paard. Waarbij het paard dus de "neus" eruit heeft en er een mooie welving vanuit de bovenste halsspier te zien is .Ook is het te zien aan het achterbeen,  dat zover mogelijk naar voren onder de massa wordt weggezet.

 

Diep en moderaat rond

Hier is te zien dat het paard te diep loopt en zijn "neusje er niet uit heeft".  Ook zie je dat het achterbeen niet goed naar voren weggezet wordt.

Rollkur

Bij deze zogenoemde rollkur/Hyperflexie{later meer hierover} kun je ook zien dat de neus er niet uit is. Dan is er dus geen goede verbinding van achter naar voren mogelijk. Het paard "breekt af" in het lendengebied en het achterbeen kan niet naar voren toe onder de massa treden.

 

Een paard moet zijn neus altijd voor de loodlijn hebben,dat noemen we "het neusje eruit" hebben in de praktijk taal.