De invloed van de bouw:

Het is belangrijk om een paard in het geheel te bekijken, karakter en instelling kunnen lichamelijke tekortkomingen compenseren. Ook is de drang om te presteren een belangrijke factor. Toch blijft het exterieur medebepalend voor de uiteindelijke prestatie en is het belangrijk om de manier van trainen aan te passen aan de exterieurmatige en innerlijke eigenschappen van het paard. Het is belangrijk om bij de keuze van een paard rekening te houden met het doel waarvoor een paard aangeschaft wordt en of deze daar ook geschikt voor is. Hoe meer een paard gebouwd is voor de dressuur, hoe makkelijker het is dit met het paard te doen. Maar dressuur is belangrijk voor ieder paard om deze lichamelijk goed te houden en met sommige exterieurmatige en of innerlijke "tekortkomingen" wordt dat soms een wat grotere uitdaging.

Enkele uitdagingen die  tegengekomen worden zijn:

De nek
Een lichte nek, niet te sterk en niet teveel massa in de keelgang. Te licht is echter ook niet aan te bevelen omdat de instelling van hoofd en hals dan teveel ruimte laat, waar niet iedere ruiter mee om kan gaan, omdat dat een zeer gevoelige hand noodzakelijk maakt. En deze paarden sneller achter de teugel kruipen.
Stabiliteit is belangrijk.
Een al te smalle nek biedt te weinig ruimte aan het strottenhoofd en de stembanden. Een te brede nek levert problemen bij de afbuiging omdat de onderkaak dan niet voldoende ruimte heeft. Deze paarden houden juist eerder de kaak vast en worden sterk in de hand.

Lichte nek

                        Zware en ook korte nek


De hals
De paardenhals is een mooi en aansprekend gedeelte, die naar het hoofd toe duidelijk smaller wordt, met een mooie gebogen lijn en met een goede halsaanzet. De opwaartse lijn van de hals eindigt minimaal een handbreedte achter de oren. Dit geeft het paard een lichte hoofd-hals aanzet en voldoende "nek". Het paard heeft daardoor fysiek de mogelijkheid om makkelijk te kunnen buigen, naar beneden en opzij.
De hals moet noch te hoog noch te diep, ongeveer rechthoekig op de schouder gepositioneerd zijn, om vrij en elegant gedragen te kunnen worden. De lengte past harmonisch bij het lichaam, niet te lang en niet te kort.

Een onderhals kan aangeboren zijn maar ontstaat veel vaker uit verkeerde training waarbij het paard met het hoofd in de lucht loopt of zich verzet tegen pijn. Wanneer een paard goed voorwaarts/ neerwaarts loopt en de bovenste halsspier vanuit de schoft aangespannen wordt zal de hals ongeacht de bouw alleen maar mooier worden.


Het rode gedeelte wordt bedoeld met de bovenste halsspier die aangespannen wordt vanuit de schoft. Ieder paard wat op de goede manier getraind wordt waarbij deze halsspier aanspant zal deze spier gaan ontwikkelen en een mooiere halsvorm krijgen ongeacht de natuurlijke halsvorm/ aanleg.

De schoft
Hoog, lang en ver in de rug. Hij biedt plaats aan het zadel, dat op de rug en niet op de schouder moet liggen en is het bevestigingspunt voor de halsspieren. De schoft moet duidelijk hoger zijn dan de ruglijn. Ook een belangrijk punt in het bepalen van de ‘balans’ in een paard, is de heup en schoft hoogte. Deze zouden ongeveer gelijk moeten zijn. Een paard kan iets ‘bergop’ gebouwd zijn waarbij het in de schoft iets hoger is dan in de heup. Of wat ‘bergafwaarts’ gebouwd zijn waarbij het iets hoger is in de heup dan in de schoft. Is het paard teveel bergafwaarts gebouwd dan zal het paard meer gewicht op zijn voorbenen dragen en daardoor minder wendbaar zijn en minder kracht vanuit de achterhand hebben. Ook kan hierdoor het paard meer kans hebben op blessures in de voorbenen. Bergafwaarts gebouwd zijn noemen we ook wel "överbouwd" zijn. Het paard blijft hierbij altijd met het kruis omhoog lopen (hoog in het kruis) ongeacht hoe verzameld het paard loopt. Voor deze dieren is correcte training en verzameling nog belangrijker maar op het oog blijven ze altijd hoog in het kruis lopen. Hoe verzameld ze ook lopen, "zitten" is moeilijker en deze paarden zullen ook altijd met minder punten gejureerd worden omdat ze niet het "bergopwaartse"beeld geven wat zo gewenst is in de dressuursport.

Een "overbouwd"paard

Hoef, kogel en koot
In de correcte stand, ideaal is dat 45 graden tussen hoef, kogel en bodem. Goed gevormd en groot genoeg moet de hoef zijn, passend bij het paard. Een te kleine hoef ten opzichte van het paard kan balansproblemen opleveren.
Hoef en kogel hebben goede schokabsorberende eigenschappen, daarom is die correcte hoek zo belangrijk. Een te steile stand geeft weing veerkracht en kan gewrichtsproblemen opleveren. Een lange koot en daarbij vaak zwakke pezen laat het gewricht in de beweging teveel doorbuigen wat uiteindelijk problemen aan de banden en pezen kan geven. Koot, kroon en hoef moeten in één lijn liggen. De hoeven staan ongeveer een hoefbreedte uit elkaar.
Een paard met lange koten heeft meer "schwung" bij het lopen maar is ook gevoeliger voor peesblessures.

De rug

Een goede bovenlijn is belangrijk voor het functioneren van het paard, de rug is het eerste stuk vanaf de schoft tot aan de lendenen, de lendenen zijn het gedeelte achter het zadel waar de rug over gaat in de achterhand/ het kruis. Er zijn allerlei variaties mogelijk, een korte rug, een lange rug, weke lendenen (hol), strak op de lendenen (bol) en dat heeft allemaal invloed op de bouw en de manier van trainen van een paard.Paarden met een korte rug zijn vaak wat makkelijker te verzamelen maar kunnen moeilijker buigen in de lengtebuiging en zijn daar in stijver wat vooral ook te merken is aan de zijgangen. Een lange rug is vaak moeilijker te verzamelen en kan wat zwakker zijn maar buigt wel weer makkelijk in de lengtebuiging. Als het paard een verzonken rug heeft zoals bij onderstaand plaatje het geval is in extreme mate:

Dan zal het moeilijk met de schoft omhoog kunnen bewegen en in mijn ogen is het belangrijk om zo'n rug onbelast sterker te maken dus met de dubbele longe e.d voordat er een ruiter op gaat zitten. Als de lendenen week zijn (hol) dan beschikt een paard over meer souplesse dan een paard die wat strakker op de lendenen is. Als de lenden heel erg bol staan dan kan er sprake zijn van een karperrug, dit is een afwijking in de bouw.

Het kruis/ de achterhand
Het kruis vormt de motor van het paard. Een grote lijn, een licht hellend kruis, zodat een ideale mogelijkheid onstaat om de achterhand op te heffen, in beweging te brengen en stuwkracht te ontwikkelen.
De lijn tussen heupbeenknobbel en de zitbeenknobbel bepaalt de lengte van het kruis. Voldoende lengte in het kruis is belangrijk omdat de lengte van de beenderen rechtstreeks te maken heeft met de lengte en kwaliteit van de bespiering. Het verloop van het kruis in combinatie met de bouw van het achterbeen is belangrijk of een paard makkelijk kan gaan "zitten" en zichzelf kan dragen. Om dat te doen verkleint het paard de hoeken van het kruis/ achterbeen.

Hier is te zien welke hoeken dat zijn en hoe dat werkt met het gaan "zitten" onderste paard.

Een te plat kruis is niet wenselijk en een te hellend/ kort kruis ook niet, dit zal het moeilijker maken voor een paard om te gaan zitten en het bekken te kantelen.

Het bovenbeen
Deze moet schuin liggen, de knie ver naar voren, bijna onder de heupknobbel. Dat maakt een energieke stap en een elastische gang mogelijk. De hoek van het heupgewricht moet minimaal 90 graden zijn.

De sprong
Deze is moeilijk te beoordelen. In ieder gaval moet hij droog zijn en met een hoek van ongeveer 145 graden voor een optimale krachtoverbrenging zorgen. De hoek dempt de beweging voor de ruiter. Maar: er zijn vele succesvolle paarden die een heel recht achterbeen hebben, dus weing hoek in het spronggewricht. Dit valt of staat allemaal met hoe de rest van de rug en de achterhand gebouwd zijn. Een sabelbenig achterbeen zorgt vaak voor optisch bedrog, het lijkt alof het paard het achterbeen dan heel erg onder de massa zet maar bij goed kijken valt er op dat het spronggewricht nauwelijks gebogen wordt. En het paard dus wel het been er onder zet maar niet de hoeken verkleint in het achterbeen/ de achterhand waardoor het achterbeen dus niet actief genoeg is.